Waarom goed functioneren niet altijd betekent dat het goed gaat
Functioneren wordt vaak gezien als een teken dat het goed gaat. Een leerling haalt goede cijfers, een student blijft presteren, een volwassene doet zijn werk, zorgt voor anderen en houdt zich staande. Aan de buitenkant lijkt er weinig aan de hand.
Toch betekent functioneren niet altijd dat iemand zich ook goed ontwikkelt. Zeker bij hoogbegaafde kinderen, jongeren en volwassenen kan er een groot verschil bestaan tussen wat zichtbaar is en wat het functioneren vanbinnen kost.
Hoogbegaafde mensen kunnen heel veel compenseren. Zij denken vooruit, passen zich aan, analyseren situaties snel, voelen verwachtingen aan en proberen problemen zelf op te lossen. Daardoor kunnen zij lang blijven functioneren, ook wanneer er vanbinnen al sprake is van spanning, vermoeidheid, onzekerheid of overbelasting.
Een kind kan op school goede resultaten halen en toch voortdurend onderprikkeld, gespannen of eenzaam zijn. Een jongere kan beleefd, taalvaardig en verstandig overkomen, terwijl hij of zij steeds meer energie verliest. Een volwassene kan succesvol zijn in werk of studie, maar tegelijk uitgeput raken door voortdurende aanpassing, oververantwoordelijkheid of gebrek aan herstel.
Juist omdat de buitenkant nog klopt, worden signalen laat herkend. De omgeving ziet prestaties, verantwoordelijk gedrag of ogenschijnlijke zelfstandigheid en concludeert dat het goed gaat. Maar wie alleen naar prestaties kijkt, ziet niet altijd wat iemand daarvoor moet onderdrukken, verdragen of compenseren.
Bij hoogbegaafdheid kan dat verschil tussen buitenkant en binnenkant groot zijn. Iemand kan cognitief sterk zijn en tegelijk emotioneel overvraagd raken. Iemand kan goed begrijpen wat er van hem wordt verwacht en toch niet voldoende ruimte voelen om zichzelf te zijn. Iemand kan sociaal aangepast gedrag laten zien, terwijl dat vooral voortkomt uit voortdurende alertheid.
Goed functioneren kan dan een vorm van bescherming worden. Het voorkomt vragen, kritiek, teleurstelling of conflict. Het geeft controle en houdt de omgeving rustig. Maar wanneer functioneren vooral bestaat uit volhouden, aanpassen en compenseren, raakt ontwikkeling onder druk.
Het probleem is dan niet dat iemand niets meer kan. Het probleem is dat wat iemand doet te veel kost. Er is steeds minder ruimte voor ontspanning, spel, nieuwsgierigheid, creativiteit, verbinding of eigen richting. Het systeem blijft aanstaan. Herstel blijft uit.
Dat kan lang onzichtbaar blijven. Soms wordt pas duidelijk dat het niet goed ging wanneer iemand ineens uitvalt, blokkeert, weigert, boos wordt, lichamelijke klachten krijgt of niet meer naar school of werk kan. Voor de omgeving lijkt dat dan plotseling. Voor de persoon zelf is het meestal het eindpunt van een veel langere periode van opbouwende belasting.
Daarom is het belangrijk om niet alleen te vragen of iemand functioneert, maar ook hoe iemand functioneert. Gaat het met plezier, nieuwsgierigheid en veerkracht? Of gaat het op wilskracht, controle en aanpassing? Is er nog ruimte voor herstel? Of wordt elke dag vooral gehaald omdat het moet?
Bij kinderen en jongeren vraagt dat om een zorgvuldige blik. Een hoogbegaafd kind dat goed presteert, kan toch onvoldoende uitdaging krijgen. Een rustige leerling kan zich hebben teruggetrokken. Een verantwoordelijke jongere kan te veel dragen. Een kind dat nooit om hulp vraagt, kan geleerd hebben dat hulp toch niet aansluit.
Ook bij volwassenen is goed functioneren niet altijd geruststellend. Veel hoogbegaafde volwassenen hebben geleerd om zichzelf te organiseren rond wat nodig is voor de omgeving. Zij kunnen lang doorgaan, veel verantwoordelijkheid nemen en complexiteit dragen, terwijl hun eigen herstel, grenzen en behoeften steeds minder ruimte krijgen.
Een ontwikkelingsgerichte blik kijkt daarom verder dan de vraag of iemand het nog redt. Zij vraagt wat het functioneren kost, welke belasting zich heeft opgebouwd en of er voldoende ruimte is voor herstel, betekenis, autonomie en verbinding.
Dat betekent niet dat elk goed functionerend kind of elke goed functionerende volwassene eigenlijk overbelast is. Functioneren kan natuurlijk ook een teken zijn van gezonde ontwikkeling. Het verschil zit in de kwaliteit van het functioneren. Gezond functioneren gaat samen met flexibiliteit, betrokkenheid, herstel en groei. Overbelast functioneren wordt steeds smaller, strakker en vermoeiender.
Wanneer iemand blijft functioneren maar minder levendig wordt, sneller geïrriteerd raakt, minder plezier ervaart, meer controle nodig heeft of steeds moeilijker herstelt, zijn dat belangrijke signalen. Niet omdat er onmiddellijk iets mis hoeft te zijn, maar omdat de buitenkant dan mogelijk meer verbergt dan zichtbaar is.
Goed functioneren verdient daarom soms juist extra aandacht. Niet om problemen te zoeken waar ze niet zijn, maar om te voorkomen dat overbelasting pas wordt gezien wanneer iemand uitvalt.
Hoogbegaafde ontwikkeling vraagt om meer dan prestaties of aangepast gedrag. Zij vraagt om ruimte waarin iemand niet alleen kan doen wat nodig is, maar ook kan voelen, herstellen, vragen stellen, betekenis geven en zichzelf blijven.