Onderpresteren
Onderpresteren wordt meestal gezien als minder presteren dan je op grond van aanleg of intelligentie zou verwachten. Bij hoogbegaafde kinderen is die omschrijving te smal. Onderpresteren gaat niet alleen over lage cijfers, slordig werk of gebrek aan inzet. Het begint veel eerder.
Een hoogbegaafd kind dat terechtkomt in een reguliere peuterspeelzaal, kinderdagverblijf of school moet zich vanaf het begin aanpassen aan een omgeving die niet op zijn ontwikkelingsniveau is ingericht. Het tempo ligt lager, de taal is eenvoudiger, het spel is minder complex, de vragen blijven oppervlakkiger en de sociale omgang sluit niet vanzelf aan. Daardoor laat het kind vanaf het begin minder zien dan er in ontwikkeling aanwezig is.
In die zin begint onderpresteren niet pas wanneer cijfers dalen. Onderpresteren begint wanneer een kind structureel onder zijn eigen ontwikkelingsniveau moet functioneren.
Onderpresteren is geen luiheid
Hoogbegaafde kinderen presteren niet onder omdat zij lui zijn. Zij presteren onder omdat de omgeving hun werkelijke ontwikkelingsniveau niet aanspreekt. Een kind dat iets al begrijpt, leert niet door het nog eens en nog eens te herhalen. Een kind dat diepere vragen heeft, groeit niet door alleen eenvoudige antwoorden te krijgen. Een kind dat betekenis zoekt, raakt niet gevoed door activiteiten die leeg of willekeurig voelen.
Wanneer een hoogbegaafd kind zich voortdurend moet voegen naar een gemiddeld tempo, gaat het zichzelf afremmen. Het stelt minder vragen. Het denkt minder ver door. Het past zijn taal aan. Het verbergt wat het al begrijpt. Het doet mee met opdrachten die geen echte denkbeweging vragen. Het leert niet om te leren, maar om zich aan te passen.
Dat is onderpresteren.
Niet omdat het kind niets doet, maar omdat het niet kan laten zien wat het werkelijk in huis heeft.
Het begint al heel jong
Bij jonge hoogbegaafde kinderen wordt onderpresteren gemakkelijk gemist. Een peuter of kleuter krijgt nog geen cijfers. Er lijkt dus nog niets mis te gaan. Maar juist in die vroege jaren wordt vaak al zichtbaar dat het kind zich inhoudt.
Een hoogbegaafd kind dat op een regulier kinderdagverblijf, een peuterspeelzaal of in een kleutergroep komt, merkt meteen dat de omgeving anders werkt dan het zelf verwacht. Het spel is eenvoudiger. De taal is minder precies. De regels voelen willekeurig. Andere kinderen begrijpen minder, reageren anders of zijn nog niet toe aan het overleg, de fantasie, de symboliek of de rechtvaardigheid die voor het hoogbegaafde kind vanzelfsprekend lijken.
Het kind past zich aan omdat het niet anders kan. Het kan niet voortdurend boven het groepsniveau blijven functioneren zonder buiten de groep te vallen. Het verlaagt dus zijn eigen niveau van handelen. Het gaat doen wat past in de groep, niet wat past bij zijn eigen ontwikkeling.
Dat wordt vaak sociaal wenselijk gedrag genoemd. Maar ontwikkelingsgericht gezien is het vaak het begin van onderpresteren.
Aanpassen wordt een overlevingsstrategie
Een hoogbegaafd kind leert snel wat de omgeving verdraagt. Het merkt wanneer vragen te veel zijn. Het merkt wanneer volwassenen verrast, geïrriteerd of ongemakkelijk reageren. Het merkt wanneer andere kinderen afhaken. Het merkt wanneer het beter is om niet te laten zien dat het iets al weet.
Zo leert het kind zichzelf doseren. Niet één keer, maar voortdurend.
Het past zijn denken aan. Het past zijn taal aan. Het past zijn nieuwsgierigheid aan. Het past zijn intensiteit aan. Het past zijn spel, tempo, vragen en verwachtingen aan. Daarmee blijft het kind misschien sociaal beter passend, maar het raakt verder verwijderd van zijn eigen ontwikkelingsniveau.
Onderpresteren is dan geen bewuste keuze. Het is een aanpassingspatroon dat ontstaat doordat het kind in een omgeving leeft waarin zijn eigen niveau te weinig plaats krijgt.
Goede cijfers kunnen onderpresteren verbergen
Veel hoogbegaafde kinderen halen redelijke of goede cijfers. Daardoor lijkt er geen sprake van onderpresteren. Maar cijfers laten alleen zien of een kind voldoet aan de eisen van de omgeving. Ze laten niet zien of het kind werkelijk leert, groeit, zoekt, worstelt, ontdekt en zich ontwikkelt.
Een hoogbegaafd kind kan hoge cijfers halen en toch onderpresteren. Het maakt dan opdrachten die te gemakkelijk zijn. Het leert niet omgaan met echte inspanning. Het ontwikkelt geen leerstrategieën. Het ontdekt niet hoe het moet doorzetten wanneer iets moeilijk wordt. Het leert vooral dat school iets is wat je snel afmaakt, ontwijkt, minimaliseert of zonder echte betrokkenheid doorloopt.
Dat is gevaarlijk, omdat het lang onzichtbaar kan blijven. Het kind doet wat gevraagd wordt. De school is tevreden. Ouders krijgen te horen dat het goed gaat. Maar vanbinnen verliest het kind langzaam de verbinding met leren.
Echt leren vraagt weerstand, nieuwsgierigheid, betekenis en groei. Wanneer die ontbreken, is er sprake van ontwikkelingsverlies, ook bij goede cijfers.
Onderpresteren tast de leerhouding aan
Een hoogbegaafd kind dat te lang onder zijn niveau functioneert, leert verkeerde lessen over leren. Het leert dat leren snel moet gaan. Het leert dat iets moeilijk vinden betekent dat je faalt. Het leert dat fouten maken gevaarlijk is, omdat het weinig ervaring heeft met oefenen. Het leert dat inspanning niet nodig is, of juist dat inspanning zinloos is.
Daardoor kan later een groot probleem ontstaan. Zodra het kind wél iets tegenkomt dat moeilijk is, heeft het geen innerlijke structuur opgebouwd om daarmee om te gaan. Het weet niet hoe je stap voor stap leert. Het weet niet hoe je frustratie verdraagt. Het weet niet hoe je oefent, fouten maakt, herstelt en opnieuw probeert.
Dan lijkt het alsof het kind ineens niet meer gemotiveerd is. In werkelijkheid heeft het jarenlang niet hoeven leren leren.
Onderpresteren gaat dus niet alleen over wat een kind niet laat zien. Het gaat ook over wat zich niet heeft kunnen ontwikkelen.
Onderpresteren is ook emotioneel belastend
Onderpresteren raakt niet alleen het leren. Het raakt ook het zelfbeeld. Een kind dat zich voortdurend aanpast, krijgt een onduidelijk beeld van zichzelf. Het weet dat het anders denkt, maar leert dat het beter is dat niet te veel te laten zien. Het voelt dat het meer nodig heeft, maar merkt dat de omgeving daar niet op is ingericht.
Daardoor kan schaamte ontstaan. Het kind voelt zich lastig, raar, te veel, te snel, te gevoelig of te kritisch. Het gaat twijfelen aan zijn eigen waarneming. Het vraagt zich af waarom het niet gewoon tevreden kan zijn met wat anderen normaal vinden.
Sommige kinderen reageren door zich kleiner te maken. Andere kinderen worden boos, kritisch of opstandig. Weer andere kinderen worden perfectionistisch, dromerig, teruggetrokken of overdreven aangepast. Al die vormen kunnen uit dezelfde bron komen: het kind functioneert niet op het niveau waarop het zich werkelijk kan ontwikkelen.
Onderpresteren kan eruitzien als gedrag
Onderpresteren wordt vaak pas gezien wanneer het gedrag lastig wordt. Een kind weigert werk te maken, stelt alles uit, maakt slordige fouten, stoort de les, droomt weg, wordt brutaal, haakt af of zegt dat school stom is.
Dan wordt het probleem vaak bij het gedrag gelegd. Het kind moet beter opletten, harder werken, positiever denken of meer motivatie tonen. Maar dat is te laat en te oppervlakkig.
Het gedrag is niet het begin. Het gedrag is het gevolg van een langere geschiedenis van misafstemming.
Een kind dat jarenlang te weinig werkelijk aangesproken is, verliest vertrouwen in de omgeving. Het gaat niet meer vanzelf aan. Het gelooft niet meer dat inspanning iets oplevert. Het heeft geleerd dat school niet de plek is waar zijn denken werkelijk nodig is.
Dan moet je niet beginnen met corrigeren. Dan moet je eerst begrijpen wat er verloren is gegaan.
Wat ouders kunnen zien
Ouders herkennen onderpresteren vaak eerder dan school. Zij zien dat hun kind thuis andere vragen stelt dan op school. Zij zien dat het kind buiten school ingewikkelde onderwerpen oppakt, maar schoolwerk ontwijkt. Zij zien dat het kind levendig wordt bij eigen interesses en leegloopt bij gewone opdrachten. Zij zien frustratie, boosheid, vermoeidheid of verlies van nieuwsgierigheid.
Die signalen zijn belangrijk.
Een hoogbegaafd kind dat op school weinig laat zien, is niet automatisch minder hoogbegaafd. Het kan juist laten zien dat het zich heeft aangepast aan een omgeving die te weinig vraagt. Ouders moeten daarom niet alleen afgaan op rapporten, observaties of de vraag of het kind “meekomt”. Meekomen is niet genoeg. De vraag is of het kind zich ontwikkelt.
Wat school moet begrijpen
Een reguliere school is ingericht op gemiddelde ontwikkeling. Dat is logisch, maar voor hoogbegaafde kinderen is het onvoldoende. Een hoogbegaafd kind dat alleen maar meedraait in het gewone programma, functioneert onder zijn niveau. Dat is geen uitzondering, maar een structureel gevolg van misafstemming.
Daarom is verrijking geen extraatje. Versnelling is geen luxe. Complexiteit is geen beloning. Contact met ontwikkelingsgelijken is geen aardigheidje. Het zijn noodzakelijke voorwaarden om onderpresteren tegen te gaan.
Een hoogbegaafd kind heeft onderwijs nodig dat vanaf het begin aansluit bij zijn niveau, tempo, diepgang, autonomie en betekenisbehoefte. Niet pas nadat het vastloopt. Niet pas nadat het gedrag problematisch wordt. Niet pas nadat het kind heeft bewezen dat het meer kan.
Het bewijs is de ontwikkeling zelf.
Wat helpt
Onderpresteren doorbreek je niet door een kind harder te laten werken aan te gemakkelijke taken. Je doorbreekt het door het kind weer in contact te brengen met echte ontwikkeling.
Dat vraagt om moeilijker werk, maar niet alleen dat. Het vraagt om betekenisvolle opdrachten, open vragen, complexiteit, tempo, eigen onderzoek, ruimte voor creativiteit, contact met ontwikkelingsgelijken en volwassenen die het kind werkelijk begrijpen.
Het vraagt ook om herstel. Een kind dat jarenlang heeft aangepast, gaat niet meteen weer voluit leren. Het moet opnieuw vertrouwen krijgen dat inspanning zin heeft. Het moet ervaren dat fouten maken bij leren hoort. Het moet weer voelen dat zijn denken welkom is.
Daarvoor is geduld nodig, maar geen vrijblijvendheid. Een hoogbegaafd kind moet niet ontzien worden in zijn ontwikkeling. Het moet juist serieus genomen worden in zijn ontwikkelingsniveau.
De kern
Onderpresteren bij hoogbegaafde kinderen begint niet pas bij lage cijfers. Het begint wanneer een kind structureel minder hoeft, mag of kan laten zien dan zijn ontwikkeling vraagt.
Op een reguliere peuterspeelzaal, kinderdagverblijf of school gebeurt dat vanaf het begin wanneer de omgeving niet is afgestemd op hoogbegaafde ontwikkeling. Het kind kan dan niet anders dan zich aanpassen. En aanpassen onder niveau is onderpresteren.
Daarom moeten ouders en scholen anders kijken. Niet alleen: doet dit kind mee? Niet alleen: haalt het voldoende cijfers? Niet alleen: veroorzaakt het problemen?
Maar: wordt dit kind werkelijk aangesproken? Leert het iets wat het nog niet kan? Mag het denken op eigen niveau? Is er ruimte voor nieuwsgierigheid, complexiteit, betekenis en herstel? Ontwikkelt het kind zich, of houdt het zich alleen staande?
Een hoogbegaafd kind dat minder laat zien dan het is, heeft geen aansporing nodig om normaler te worden. Het heeft een omgeving nodig die zijn ontwikkeling niet langer verkleint.