Onderpresteren 

Onderpresteren wordt meestal omschreven als minder presteren dan op grond van intelligentie of aanleg verwacht mag worden. Die omschrijving is te beperkt. Zij maakt van onderpresteren vooral een verschil tussen een testuitslag en schoolresultaten en richt de aandacht vervolgens op motivatie, werkhouding of inzet.

Bij hoogbegaafdheid begint onderpresteren veel eerder. Het begint zodra iemand structureel minder van zijn ontwikkeling kan gebruiken dan er beschikbaar is. Dat kan zichtbaar worden in lage cijfers of onafgemaakt werk, maar ook in hoge cijfers, aangepast gedrag en ogenschijnlijk moeiteloos functioneren.

Een hoogbegaafd kind kan aan alle schoolse verwachtingen voldoen en toch ernstig onderpresteren. Het behaalt goede resultaten, maar leert nauwelijks iets wat het nog niet kan. Het hoeft niet werkelijk na te denken, te oefenen, fouten te herstellen of onzekerheid te verdragen. De prestaties zijn zichtbaar, maar de ontwikkeling blijft uit.

Onderpresteren gaat daarom niet alleen over wat iemand laat zien. Het gaat vooral over wat door de omgeving niet wordt aangesproken, niet wordt herkend en uiteindelijk niet meer vrij beschikbaar blijft.

Onderpresteren ontstaat niet in het kind

Een hoogbegaafd kind wil van nature niet minder leren. Het begint meestal nieuwsgierig, onderzoekend en sterk gericht op samenhang. Het stelt vragen, probeert te begrijpen hoe iets werkt en zoekt naar betekenis achter wat het waarneemt.

Onderpresteren ontstaat wanneer die ontwikkelingsbeweging herhaaldelijk geen passend antwoord krijgt. De leerstof is al begrepen, maar moet opnieuw worden geoefend. De vraag gaat verder dan de les, maar wordt afgebroken. Het kind ziet meerdere mogelijkheden, maar moet één voorgeschreven werkwijze volgen. Het denkt sneller dan het onderwijs beweegt en moet dagelijks wachten tot de omgeving hetzelfde punt bereikt.

De omgeving vraagt het kind daardoor niet om zich te ontwikkelen, maar om zichzelf te vertragen.

Wanneer dit gebeurt, ligt het probleem niet in een gebrek aan motivatie van het kind. Het probleem is dat motivatie geen ontwikkelingsuitweg meer vindt. Nieuwsgierigheid kan alleen blijven bestaan wanneer zij wordt beantwoord met nieuwe complexiteit, inhoudelijke wederkerigheid en werkelijk leren.

Een kind dat steeds opnieuw moet doen wat het al kan, verliest niet zijn vermogen om te leren. Het verliest het vertrouwen dat leren binnen deze omgeving werkelijk mogelijk is.

Onderpresteren kan onmiddellijk beginnen

Onderpresteren hoeft niet pas te ontstaan na jarenlange verveling. Hoogbegaafde kinderen nemen snel waar welke normen en verwachtingen binnen een omgeving gelden. Zij merken welk gedrag wordt beloond, wanneer vragen te veel zijn en welke verschillen sociale afstand oproepen.

Door hun snelle betekenisvorming kunnen zij al na enkele ervaringen concluderen dat het verstandiger is om minder te laten zien.

Een jong kind kan eenvoudiger gaan praten dan het thuis doet. Het kan wachten met antwoorden, reeds beheerste vaardigheden niet meer tonen of gedrag overnemen dat bij de groep past. Het heeft zijn mogelijkheden niet verloren. Het heeft begrepen welke vorm van functioneren nodig is om erbij te blijven horen.

De eerste aanpassing kan dus in korte tijd ontstaan. Langdurige herhaling zorgt er vervolgens voor dat zij onderdeel wordt van het gewone functioneren. Het kind laat steeds minder zien, krijgt daardoor steeds minder passend aanbod en wordt vervolgens bevestigd in het beeld dat er kennelijk niet méér aanwezig is.

Zo produceert de omgeving mede het onderpresteren dat zij later als probleem van het kind benoemt.

Goede cijfers sluiten onderpresteren niet uit

Schoolresultaten meten of een leerling voldoet aan de gestelde eisen. Zij meten niet of de eisen op het ontwikkelingsniveau van de leerling liggen.

Een hoogbegaafde leerling kan de hoogste cijfers van de klas behalen en tegelijkertijd ver beneden zijn mogelijkheden functioneren. Hij gebruikt bestaande kennis en intelligentie, maar ontwikkelt geen vaardigheden om met echte moeilijkheid om te gaan. Hij leert niet hoe hij moet oefenen, plannen, volhouden en herstellen wanneer iets niet onmiddellijk lukt.

Zolang alles gemakkelijk blijft, lijkt dat geen probleem. De leerling functioneert zelfstandig en heeft weinig ondersteuning nodig. De omgeving ziet succes.

Het probleem wordt zichtbaar wanneer de leerling voor het eerst werk ontmoet dat werkelijk iets van hem vraagt. Dan blijkt dat hij nauwelijks ervaring heeft met onzekerheid, frustratie en fouten. Hij weet niet hoe hij moet blijven wanneer begrijpen niet direct ontstaat.

Dat wordt vervolgens uitgelegd als faalangst, onvoldoende doorzettingsvermogen, zwakke executieve functies of gebrek aan motivatie. Maar de leerling heeft jarenlang onderwijs gevolgd waarin deze vermogens nauwelijks konden worden ontwikkeld.

De omgeving heeft zijn goede prestaties gezien en zijn onderontwikkeling gemist.

Onderpresteren en overpresteren kunnen tegelijk bestaan

Een leerling die weinig werk maakt, kan vanbinnen voortdurend overpresteren. Hij besteedt veel energie aan het lezen van de omgeving, het voorspellen van verwachtingen, het beheersen van emoties en het voorkomen dat hij opvalt.

Cognitief laat hij minder zien dan mogelijk is. Sociaal en emotioneel levert hij juist een buitensporige inspanning.

Hetzelfde geldt voor de leerling die hoge cijfers haalt. Hij kan cognitief onderpresteren omdat de leerstof te gemakkelijk is, terwijl hij perfectionistisch overpresteert om aan iedere verwachting te voldoen. Hij ontwikkelt zich niet vrij, maar organiseert zijn functioneren rond controle en foutloosheid.

Onderpresteren en overpresteren zijn daarom geen tegengestelde routes. Zij kunnen uit dezelfde ontwikkelingsmisafstemming voortkomen en gelijktijdig binnen hetzelfde kind aanwezig zijn.

Aan de buitenkant ziet men cijfers, taakproductie en gedrag. Vanbinnen gaat het om de vraag hoeveel van de beschikbare ontwikkeling werkelijk wordt gebruikt en hoeveel energie nodig is om binnen de omgeving passend te blijven.

Onderpresteren tast de leerontwikkeling aan

Een kind dat langdurig beneden zijn ontwikkelingsniveau functioneert, leert niet alleen minder inhoud. Het ontwikkelt ook een verkeerde verhouding tot leren.

Het kan gaan geloven dat intelligent zijn betekent dat iets onmiddellijk moet lukken. Inspanning voelt dan niet als een normaal onderdeel van leren, maar als bewijs dat het kennelijk niet slim genoeg is. Fouten worden bedreigend omdat zij niet jarenlang als vanzelfsprekend onderdeel van ontwikkeling zijn ervaren.

Een ander kind leert dat inspanning zinloos is. Het heeft vaak geprobeerd meer te vragen, sneller verder te gaan of eigen onderwerpen te onderzoeken, maar merkte dat dit de omgeving nauwelijks veranderde. Het stopt daarom met investeren.

Sommige kinderen leren minimaliseren. Zij ontdekken precies hoeveel zij moeten doen om aan de norm te voldoen en geen extra werk te krijgen. Andere kinderen ontwikkelen een sterke afhankelijkheid van externe controle, omdat intrinsieke betrokkenheid door jarenlange onderbelasting is verdwenen.

Deze gevolgen worden later gemakkelijk als eigenschappen van het kind gezien. Het kind zou ongemotiveerd, lui, gemakzuchtig of slecht georganiseerd zijn. Maar die leerhouding is niet in een vacuüm ontstaan. Zij is mede gevormd door een omgeving waarin werkelijk leren lange tijd niet nodig of niet mogelijk was.

Onderpresteren raakt ook identiteit en lichaam

Wanneer een kind merkt dat zijn natuurlijke tempo, vragen en behoeften niet bij de omgeving passen, gaat het niet alleen anders presteren. Het gaat ook anders naar zichzelf kijken.

Het kan denken dat het lastig, veeleisend of vreemd is. Het merkt dat anderen tevreden zijn met werk dat voor hem weinig betekenis heeft en vraagt zich af waarom het zelf daar niet gewoon mee kan omgaan. Het leert zijn eigen waarneming wantrouwen.

De voortdurende aanpassing wordt ook lichamelijk gedragen. Een kind kan op school rustig lijken en thuis volledig ontladen. Het kan buikpijn, hoofdpijn, slaapproblemen of extreme vermoeidheid ontwikkelen. Het kan prikkelbaar worden, dichtklappen of niet meer naar school willen.

Deze signalen zijn geen afzonderlijke problemen naast het onderpresteren. Zij laten zien wat het kost om dagelijks beneden het eigen ontwikkelingsniveau te functioneren en tegelijkertijd te blijven voldoen aan de eisen van de omgeving.

Meer druk maakt onderpresteren groter

Wanneer onderpresteren wordt gezien als een motivatie- of werkhoudingsprobleem, volgen vaak meer controle, strengere afspraken en beloningssystemen. Het kind moet harder werken, zijn taken beter plannen en verantwoordelijkheid nemen.

Daarmee wordt geprobeerd het kind opnieuw passend te maken voor dezelfde omgeving die het onderpresteren mede heeft voortgebracht.

Meer druk kan tijdelijk tot meer productie leiden. Dat betekent niet dat ontwikkeling terugkeert. Het kind kan opnieuw gaan functioneren vanuit angst, gehoorzaamheid of perfectionistische controle. De cijfers verbeteren, terwijl de beschermende organisatie verder wordt verstevigd.

Onderpresteren wordt niet opgelost door meer werk te eisen. Het wordt opgelost door werkelijk leren opnieuw mogelijk te maken.

Wat werkelijk nodig is

Een hoogbegaafd kind heeft geen grotere hoeveelheid werk nodig, maar werk dat werkelijk op zijn ontwikkelingsniveau ligt. Het moet iets ontmoeten wat het nog niet begrijpt, waarvoor onderzoek nodig is en waarbij fouten onvermijdelijk zijn.

Daarvoor zijn complexiteit, tempo, diepgang en betekenis nodig. Maar inhoudelijk passend werk alleen is niet voldoende.

Het kind heeft dagelijks ontwikkelingsgelijken nodig. Zonder ontwikkelingsgelijken blijft het zich vertalen, vertragen en afzonderen. Een paar uur plusklas kan de belasting verminderen, maar heft de fundamentele ontwikkelingsisolatie niet op.

Daarnaast is begeleiding nodig door iemand die de snelheid, breedte en diepgang van de ontwikkeling werkelijk kan volgen. Niet alleen iemand die kennis heeft van kenmerken van hoogbegaafdheid, maar een cognitief en persoonlijk ontwikkelde professional die inhoudelijk wederkerig kan zijn, hoge passende eisen stelt en tegelijkertijd veiligheid, begrenzing en herstel kan dragen.

Een kind dat zich al rond onderpresteren heeft georganiseerd, opent zich niet onmiddellijk wanneer er moeilijker werk verschijnt. Het moet opnieuw ervaren dat zijn denken welkom is, dat inspanning betekenis heeft en dat zichtbaar worden niet leidt tot extra belasting of verlies van verbondenheid.

De kern

Onderpresteren is geen probleem dat in het hoogbegaafde kind ontstaat. Het is de zichtbare of verborgen uitkomst van een omgeving die structureel minder ontwikkeling vraagt en verdraagt dan in het kind beschikbaar is.

Het kind past zich daarop aan. Het vertraagt, vereenvoudigt, trekt zich terug, controleert of voldoet. Soms dalen de cijfers. Soms blijven zij hoog. In beide gevallen kan de ontwikkeling ernstig worden begrensd.

De juiste vraag is daarom niet waarom het kind minder laat zien dan het kan. De vraag is waarom het zich in deze omgeving niet op zijn werkelijke niveau kan ontwikkelen.

Onderpresteren verdwijnt niet wanneer het kind beter leert voldoen. Het verdwijnt wanneer de omgeving ophoudt zijn ontwikkeling te verkleinen.