Samenwerken met ouders van hoogbegaafde leerlingen

Samenwerking met ouders wordt in het onderwijs vaak genoemd als voorwaarde voor passend onderwijs. In de praktijk betekent samenwerking echter nog te vaak dat ouders informatie mogen geven zolang die past binnen wat de school zelf al ziet en denkt. Zodra ouders een ander beeld schetsen, wordt hun waarneming gerelativeerd. Zij zouden te hoge verwachtingen hebben, hun kind overschatten, te beschermend zijn of te veel nadruk leggen op de hoogbegaafdheid.

Daarmee gaat de school voorbij aan essentiële kennis.

Ouders kennen hun kind over langere tijd, in verschillende situaties en vóórdat het zich aan de schoolomgeving heeft aangepast. Zij zien hoe het denkt wanneer het vrij is, welke vragen het stelt, hoeveel taal en kennis werkelijk beschikbaar zijn en wat de schooldag lichamelijk en emotioneel kost. Het kind zelf weet wat het al begrijpt, waar het moet wachten, welke vragen het heeft teruggetrokken en hoeveel energie nodig is om in de klas te blijven functioneren.

Wanneer school deze informatie niet serieus neemt, ontbreekt een groot deel van de werkelijkheid waarop onderwijsbeslissingen zouden moeten worden gebaseerd.

Luisteren naar ouders en leerlingen is daarom geen beleefd onderdeel van de communicatie. Het is een noodzakelijke voorwaarde om hoogbegaafde ontwikkeling te kunnen begrijpen.

De school ziet maar een deel van het kind

Een leerkracht ziet een leerling binnen een specifieke omgeving. Hij ziet het kind in een groep, binnen een rooster, bij vooraf gekozen leerstof en onder schoolse verwachtingen. Wat daar zichtbaar wordt, is geen neutrale afspiegeling van alle mogelijkheden van het kind. Het is het functioneren dat binnen die omgeving beschikbaar blijft.

Een hoogbegaafde leerling kan zich vanaf het begin aanpassen aan het tempo, de taal en de verwachtingen van de groep. Hij stelt minder vragen, gebruikt eenvoudigere woorden, wacht met antwoorden en laat vaardigheden niet meer zien wanneer hij merkt dat die hem buiten de groep plaatsen. De school observeert vervolgens een kind dat ogenschijnlijk op hetzelfde niveau functioneert als klasgenoten.

Daaruit wordt geconcludeerd dat ouders het ontwikkelingsniveau overschatten.

Maar de school ziet niet noodzakelijk wat het kind kan. Zij ziet wat het kind binnen de schoolomgeving laat zien.

Dat verschil is fundamenteel.

Wanneer een kind thuis complexe onderwerpen onderzoekt, uitvoerige redeneringen opbouwt en een grote behoefte aan samenhang laat zien, terwijl het op school eenvoudig werk maakt en weinig initiatief toont, zijn dat geen tegenstrijdige werkelijkheden. Het verschil vertelt iets over de invloed van de omgeving.

De juiste conclusie is niet dat het thuisbeeld onbetrouwbaar is. De juiste vraag is waarom zoveel van het kind binnen school niet meer zichtbaar wordt.

‘Wij zien het niet’ is geen weerlegging

Ouders van hoogbegaafde kinderen krijgen regelmatig te horen dat school het beschreven probleem niet herkent. Het kind werkt mee, speelt met klasgenoten, haalt voldoende resultaten en lijkt niet ongelukkig. Daarom zou er geen reden zijn om het aanbod of de omgeving wezenlijk te veranderen.

Maar de mededeling dat school iets niet ziet, bewijst alleen dat het binnen school niet zichtbaar wordt.

Een kind kan zijn belasting gedurende de dag onder controle houden en thuis ontladen. Het kan op school stil en aangepast zijn en thuis boos, uitgeput of onbereikbaar worden. Het kan goede cijfers halen en toch niets nieuws leren. Het kan vrienden hebben en zich desondanks ontwikkelingsmatig alleen voelen.

De observatie van school is dus niet onwaar. Zij is onvolledig.

Wanneer het kind thuis instort, is dat niet automatisch een opvoedingsprobleem. Thuis is de plaats waar de controle kan wegvallen. Wat ouders zien, is het vervolg van de schooldag. Zij zien niet een ander kind, maar hetzelfde ontwikkelingssysteem nadat het niet langer hoeft te voldoen.

Daarom kan school niet volstaan met: “Bij ons merken we niets.”

Juist wanneer thuis ernstige belasting zichtbaar is en op school niet, moet worden onderzocht hoeveel energie het kind gebruikt om op school niets te laten merken.

Ouders zien de ontwikkeling vóór de aanpassing

Ouders kennen hun kind vaak al voordat het een peuterspeelzaal, kinderdagverblijf of school binnenkomt. Zij hebben gezien hoe het uit zichzelf leerde, welke taal het gebruikte, welke vragen het stelde en hoe het speelde wanneer het niet hoefde aan te sluiten bij een groep.

Zij kunnen daarom veranderingen waarnemen die de school zelf niet kan vergelijken.

Een kind dat thuis uitvoerig sprak, wordt stiller. Een kind dat voortdurend vragen stelde, zegt dat het schoolwerk stom is. Een kind dat zelfstandig wilde leren lezen, verbergt dat het al kan lezen. Een kind dat open en nieuwsgierig was, wordt voorzichtig, perfectionistisch of opstandig.

School ziet het aangepaste kind en beschouwt dat als uitgangspunt. Ouders zien ook wat eraan voorafging.

Hun informatie is daarom niet subjectiever dan die van school. Zij bevat een langere ontwikkelingslijn.

Wanneer ouders zeggen dat hun kind sinds de start op school wezenlijk is veranderd, moet dat niet worden afgedaan als bezorgdheid of teleurstelling. Het is ontwikkelingsinformatie. De school moet onderzoeken welke ervaringen, verwachtingen en aanpassingen aan die verandering hebben bijgedragen.

Hoogbegaafde kinderen kunnen zich razendsnel aanpassen

Scholen zoeken regelmatig naar een langdurige voorgeschiedenis voordat zij bereid zijn te spreken over misafstemming of onderpresteren. Het kind zou eerst maandenlang signalen moeten laten zien voordat aanpassing van het onderwijs gerechtvaardigd lijkt.

Dat uitgangspunt past niet bij hoogbegaafde ontwikkeling.

Hoogbegaafde kinderen nemen snel waar welke normen in een omgeving gelden. Zij zien wat andere kinderen doen, merken hoe volwassenen reageren en begrijpen welke vormen van gedrag gewenst zijn. Door hun snelle betekenisvorming kunnen zij na enkele ervaringen al besluiten minder te laten zien, eenvoudiger te spreken of een vaardigheid niet meer te gebruiken.

Een kind hoeft niet eerst langdurig te worden afgewezen voordat het zich aanpast. Het kan binnen enkele dagen begrijpen dat het veiliger is hetzelfde te doen als de groep.

De afwezigheid van een lange geschiedenis betekent daarom niet dat er geen beschermende reorganisatie heeft plaatsgevonden. De snelheid waarmee het kind zich aanpast, is juist onderdeel van wat moet worden begrepen.

Langdurige misafstemming is vooral van betekenis omdat zij die eerste aanpassing bevestigt en verstevigt. Wat snel begint, kan vervolgens jarenlang als normaal gedrag worden gelezen.

De stem van het kind is geen sluitend bewijs, maar wel onmisbare informatie

Ook naar het kind zelf wordt onvoldoende geluisterd. Wanneer een hoogbegaafde leerling zegt dat het werk te gemakkelijk, te langzaam of zinloos is, wordt dat gemakkelijk opgevat als onwil. Het kind zou moeten leren dat niet alles leuk is, dat oefenen nodig blijft en dat het zich aan gezamenlijke regels moet houden.

Daarmee wordt een inhoudelijke mededeling teruggebracht tot een gedragsprobleem.

Natuurlijk kan een kind niet zelfstandig bepalen welk onderwijs het nodig heeft. Het overziet niet alle leerdoelen, pedagogische belangen en organisatorische mogelijkheden. Luisteren betekent daarom niet dat iedere wens onmiddellijk moet worden uitgevoerd.

Maar niet alles hoeven volgen is iets anders dan niet serieus onderzoeken wat het kind zegt.

Een leerling die aangeeft dat hij de instructie al begrijpt, geeft informatie die kan worden gecontroleerd. Een kind dat zegt dat het zich voortdurend inhoudt, beschrijft een ervaring die moet worden onderzocht. Een leerling die na school uitgeput is, vertelt iets over de belasting van zijn schooldag.

De taak van de professional is niet om die uitspraken zonder onderzoek te bevestigen of af te wijzen. De taak is ze te verbinden met observaties, ontwikkelingsgegevens, prestaties, gedrag, lichamelijke signalen en informatie van ouders.

Het perspectief van het kind is geen volledige analyse, maar zonder dat perspectief is iedere analyse onvolledig.

Ouders worden te snel als veeleisend gezien

Ouders die blijven aandringen op ander onderwijs krijgen gemakkelijk het beeld van veeleisende of overambitieuze ouders. Zij zouden willen dat hun kind uitzonderlijk wordt behandeld, te snel een klas overslaat of voortdurend extra uitdaging krijgt.

Dat beeld beschermt de school tegen een moeilijker vraag: wat als de ouders terecht aangeven dat het onderwijs hun kind niet bereikt?

De meeste ouders vragen niet om een voorkeurspositie. Zij vragen dat hun kind werkelijk mag leren, zich niet dagelijks hoeft te vertragen en na school nog voldoende capaciteit overhoudt om te leven.

Wanneer zij blijven aandringen, is dat vaak omdat eerdere signalen niet tot wezenlijke verandering hebben geleid. De school ervaart de herhaling als druk. De ouders ervaren dat zij telkens opnieuw moeten uitleggen wat al zichtbaar had moeten zijn.

Hoe langer de school afwacht, hoe dringender ouders worden. Vervolgens wordt hun urgentie gebruikt als bewijs dat zij emotioneel, onredelijk of te betrokken zijn.

Dat is een voorspelbare maar schadelijke omkering.

De inhoud van hun boodschap moet worden onderzocht, los van de spanning waarmee zij die uiteindelijk brengen.

Schoolprofessionaliteit betekent niet dat school altijd beter weet

Leerkrachten en intern begeleiders beschikken over pedagogische en onderwijskundige kennis. Zij zien veel kinderen en hebben ervaring met groepsprocessen, leerlijnen en onderwijsontwikkeling. Die deskundigheid is noodzakelijk.

Maar professionele kennis geeft geen volledig zicht op een individueel kind.

Een ouder kent niet automatisch de onderwijspraktijk beter dan een leerkracht. Een leerkracht kent evenmin automatisch het kind beter dan de ouder. Beiden beschikken over verschillende informatie. Hetzelfde geldt voor het kind zelf.

Werkelijke professionaliteit betekent daarom niet dat school haar eigen waarneming als doorslaggevend behandelt. Het betekent dat zij verschillende kennisbronnen kan verbinden, ook wanneer die niet onmiddellijk met elkaar overeenkomen.

Juist verschil in waarneming moet nieuwsgierigheid oproepen.

Wanneer een kind thuis heel anders functioneert dan op school, is dat geen reden om één van beide beelden af te wijzen. Het verschil is het verschijnsel dat moet worden onderzocht.

Wanneer ouders een ontwikkeling beschrijven die school niet ziet, is de professionele reactie niet: “Wij herkennen dit niet.” De professionele reactie is: “Wat maakt dat dit kind hier iets anders laat zien, en wat vertelt dat over onze omgeving?”

De school moet haar eigen invloed durven onderzoeken

In gesprekken over hoogbegaafde leerlingen wordt veel onderzocht wat het kind wel en niet kan. Er wordt gekeken naar motivatie, executieve vaardigheden, gevoeligheid, sociale aansluiting en werkhouding.

Veel minder vaak wordt onderzocht wat de schoolomgeving zelf produceert.

Hoeveel tijd brengt het kind door met herhaling?
Hoe vaak moet het wachten?
Hoeveel van zijn vragen krijgen werkelijk ruimte?
Met wie kan het op eigen niveau spreken en leren?
Hoeveel zelfstandigheid wordt gevraagd zonder inhoudelijke begeleiding?
Welke signalen worden als lastig gedrag gecorrigeerd?
Wat gebeurt er wanneer de leerling kritiek heeft op een onlogische regel?
Hoeveel herstel heeft het na school nodig?

Zonder deze vragen wordt het kind onderzocht terwijl de omgeving buiten de analyse blijft.

Dat is een fundamentele tekortkoming.

Een school kan niet vaststellen dat een leerling ongemotiveerd is zonder te onderzoeken of het onderwijs ontwikkelingswaarde heeft. Zij kan geen concentratieprobleem veronderstellen zonder te onderzoeken waarop het kind zich moet concentreren. Zij kan sociale problemen niet uitsluitend bij het kind plaatsen wanneer het dagelijks zonder voldoende ontwikkelingsgelijken functioneert.

Het gedrag van de leerling ontstaat binnen een ontwikkelingsrelatie. Daarom moet ook de school bereid zijn zichzelf als onderdeel van de verklaring te zien.

Dat is geen schuldbekentenis. Het is professionele verantwoordelijkheid.

Goede bedoelingen zijn niet hetzelfde als goed onderwijs

Scholen en leerkrachten willen kinderen doorgaans niet tekortdoen. Zij werken binnen volle groepen, vaste leerlijnen, beperkte middelen en organisatorische eisen. Veel professionals doen hun uiterste best om hoogbegaafde leerlingen iets extra’s te bieden.

Dat verdient erkenning.

Maar inspanning en goede bedoelingen mogen niet worden gebruikt als maat voor passendheid. Een school kan oprecht betrokken zijn en toch onvoldoende bieden. Een leerkracht kan vriendelijk, zorgvuldig en toegewijd zijn en toch niet in staat zijn de snelheid, complexiteit en betekenisvorming van een hoogbegaafde leerling te volgen.

De vraag is niet alleen wat de school probeert. De vraag is wat het onderwijs feitelijk met de ontwikkeling doet.

Wanneer het kind ondanks alle goede bedoelingen dagelijks moet wachten, zich aanpassen, zelfstandig werken zonder werkelijke begeleiding en thuis herstellen van de schooldag, is het onderwijs niet passend.

Dat vaststellen schoffeert de leerkracht niet. Het neemt het kind serieus.

Een professionele school moet kunnen erkennen dat haar mogelijkheden begrensd zijn. Zij hoeft niet te beweren dat alles goed gaat omdat zij al veel heeft gedaan.

Soms is de eerlijkste conclusie dat de school niet kan bieden wat het kind nodig heeft. Die erkenning is zorgvuldiger dan het kind binnenhouden en het leren omgaan met een blijvend verkeerde situatie.

Aanpassingen zijn geen bewijs dat er wordt geluisterd

Scholen wijzen erop dat zij al compacten, verrijken, een plusklas aanbieden of een individueel plan hebben opgesteld. Daarmee lijkt te zijn aangetoond dat zij de ouders serieus nemen.

Maar luisteren blijkt niet uit het aantal ingezette maatregelen. Het blijkt uit de vraag of de maatregelen werkelijk antwoord geven op wat het kind nodig heeft.

Een leerling die minder basiswerk maakt maar vervolgens zelfstandig extra opdrachten uitvoert, krijgt nog geen inhoudelijke wederkerigheid. Een wekelijkse plusklas verandert niet dat het kind de overige dagen zonder ontwikkelingsgelijken functioneert. Moeilijkere werkbladen veranderen niet automatisch het tempo, de sociale omgeving, de begeleiding en de herstelbelasting.

Wanneer ouders aangeven dat hun kind ondanks deze aanpassingen blijft vastlopen, is de juiste reactie niet dat de school al zoveel doet. De juiste reactie is dat de huidige aanpak kennelijk niet voldoende werkt.

Een interventie verdient geen bescherming omdat er tijd en moeite in is gestoken.

Passend onderwijs wordt beoordeeld op het effect op ontwikkeling, niet op de hoeveelheid goede wil die eraan voorafging.

Samenwerking is geen opdracht aan ouders om vertrouwen te hebben

Ouders krijgen regelmatig te horen dat zij vertrouwen moeten hebben in school, hun zorgen niet op het kind moeten overbrengen en de professional ruimte moeten geven.

Vertrouwen is echter geen plicht die kan worden opgelegd. Het ontstaat wanneer informatie serieus wordt genomen, afspraken worden nagekomen en zichtbaar wordt dat de ontwikkeling van het kind werkelijk wordt gevolgd.

Wanneer ouders herhaaldelijk signalen geven en daar vooral relativering, uitstel of geruststelling op volgt, wordt vertrouwen niet beschadigd door de kritische houding van de ouders. Het wordt beschadigd doordat de werkelijkheid die zij beschrijven onvoldoende wordt onderzocht.

Samenwerking betekent daarom niet dat ouders zich rustiger moeten opstellen zodat de school haar werk kan doen. Het betekent dat school en ouders gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor het volledige ontwikkelingsbeeld.

Daarbij mag verschil van inzicht bestaan. Een school hoeft niet iedere verklaring van ouders over te nemen. Ouders hoeven niet iedere onderwijsbeslissing verstandig te vinden. Maar beide partijen moeten bereid zijn hun aannames te onderzoeken en informatie niet af te wijzen omdat die ongemakkelijk is.

De grootste professionele verantwoordelijkheid ligt bij de school. Zij beschikt over de institutionele positie, bepaalt de dagelijkse omgeving en neemt beslissingen die direct ingrijpen op de ontwikkeling van het kind.

Het kind mag niet tussen ouders en school terechtkomen

Wanneer ouders en school fundamenteel anders naar een kind kijken, komt de leerling gemakkelijk in een onmogelijke positie.

Thuis hoort het dat de school onvoldoende aansluit. Op school merkt het dat de zorgen van ouders worden gerelativeerd. Het voelt dat volwassenen tegenover elkaar staan en kan proberen de spanning op te lossen door één kant gelijk te geven, klachten in te trekken of juist sterker te protesteren.

Daarmee krijgt het kind opnieuw verantwoordelijkheid voor een situatie die door volwassenen moet worden gedragen.

Een kind mag niet hoeven bewijzen dat het ongelukkig genoeg is om ander onderwijs te krijgen. Het hoeft niet zichtbaar in te storten voordat volwassenen overeenstemming bereiken over de ernst van de situatie.

Ouders en school moeten het verschil in perspectief rechtstreeks met elkaar onderzoeken. Zij mogen het kind niet gebruiken als boodschapper, getuige of doorslaggevend bewijsstuk.

Het kind moet worden gehoord, maar hoeft het conflict tussen de volwassenen niet op te lossen.

Luisteren betekent ook ongemakkelijke informatie verdragen

Echt luisteren is eenvoudig wanneer ouders tevreden zijn en het kind goed functioneert. Het wordt pas betekenisvol wanneer de boodschap de school confronteert met haar eigen beperkingen.

Ouders kunnen zeggen dat de leerkracht hun kind niet begrijpt. Het kind kan aangeven dat het zich in de klas voortdurend inhoudt. De belasting thuis kan duidelijk maken dat de schooldag veel meer kost dan op school zichtbaar is.

Die informatie roept gemakkelijk verdediging op. De school wil uitleggen wat zij al heeft gedaan, welke beperkingen er zijn en waarom bepaalde keuzes noodzakelijk waren.

Die uitleg kan terecht zijn, maar mag het luisteren niet vervangen.

Voordat de school haar handelen verdedigt, moet zij volledig begrijpen wat de gevolgen ervan zijn geweest. Niet om schuld vast te stellen, maar om te kunnen veranderen wat niet werkt.

Een professionele school hoeft niet foutloos te zijn. Zij moet wel in staat zijn te erkennen wanneer haar eerste interpretatie onjuist of onvolledig was.

Zonder die mogelijkheid wordt samenwerking een ritueel waarin ouders mogen spreken, maar de bestaande koers niet werkelijk kunnen beïnvloeden.

Wat school van ouders moet willen weten

Een gesprek over een hoogbegaafde leerling moet verder gaan dan cijfers en zichtbaar gedrag. De school heeft informatie nodig over het volledige functioneren van het kind.

Hoe was het kind vóór de start in deze groep of op deze school? Welke interesses, taal, kennis en vaardigheden waren toen zichtbaar? Wat is daarvan verdwenen of veranderd? Hoe komt het kind thuis? Hoe lang duurt het voordat het weer tot zichzelf komt? Zijn er lichamelijke klachten, slaapproblemen, woede, terugtrekking of verlies van nieuwsgierigheid?

Ook moet worden gevraagd wanneer het kind werkelijk opleeft. Bij welke onderwerpen komt energie terug? Met welke kinderen ontstaat wederkerigheid? Welke volwassenen kan het vertrouwen? Wat doet het uit zichzelf wanneer er geen schoolse verwachtingen zijn?

Deze informatie maakt zichtbaar welke ontwikkeling nog beschikbaar is en welke binnen school wordt ingehouden.

De vraag aan ouders mag dus niet alleen zijn of zij problemen ervaren. School moet willen begrijpen hoe het kind als geheel functioneert en hoe de schooldag daarop doorwerkt.

Wat school aan het kind moet vragen

Ook het kind moet gerichte vragen krijgen. Niet uitsluitend of het naar zijn zin heeft, want veel aangepaste kinderen antwoorden wat zij denken dat de volwassene wil horen.

De school moet concreter vragen:

Wanneer leer je iets wat je nog niet wist?
Wanneer moet je wachten?
Welke vragen stel je niet meer?
Wanneer doe je alsof je iets nog niet begrijpt?
Met wie kun je praten zonder alles uit te leggen?
Wanneer voel je spanning in je lichaam?
Wat kost op school de meeste energie?
Wanneer voel je dat je werkelijk jezelf kunt zijn?

De antwoorden moeten niet onmiddellijk worden gecorrigeerd of gerelativeerd. Het kind hoeft niet eerst te begrijpen waarom de school iets zo organiseert. De volwassene moet eerst begrijpen hoe die organisatie door het kind wordt ervaren.

Daarna kan gezamenlijk worden onderzocht welke veranderingen nodig en mogelijk zijn.

Luisteren verplicht tot handelen

Luisteren zonder consequenties is geen samenwerking.

Wanneer ouders en kind duidelijk maken dat het onderwijs structureel te langzaam is, dat er geen ontwikkelingsgelijken zijn, dat zelfstandig werk tot afzondering leidt en dat de schooldag thuis tot uitputting leidt, kan de school niet volstaan met erkenning.

De ontwikkelingsomgeving moet veranderen.

Dat kan betekenen dat instructies worden geschrapt, basiswerk wordt vervangen, versnelling wordt onderzocht, dagelijkse toegang tot ontwikkelingsgelijken wordt georganiseerd of sterkere inhoudelijke begeleiding wordt ingezet.

Het kan ook betekenen dat de school eerlijk moet vaststellen dat zij deze voorwaarden niet kan bieden.

Niet iedere school kan voor ieder hoogbegaafd kind passend worden gemaakt. Dat is een pijnlijke maar noodzakelijke werkelijkheid. Het kind mag niet de prijs betalen voor de behoefte van de school om zichzelf als passend te blijven beschouwen.

Wanneer de omgeving niet wezenlijk kan veranderen, moet samen met ouders worden gezocht naar een omgeving die de ontwikkeling wel kan dragen.

Samenwerking vraagt gelijkwaardigheid, niet gelijke rollen

Ouders, kind en school hebben niet dezelfde rol. De school draagt professionele verantwoordelijkheid voor het onderwijs. Ouders dragen verantwoordelijkheid voor hun kind en kennen zijn ontwikkeling over tijd en context. Het kind beschikt over de directe ervaring van wat de omgeving met hem doet.

Die rollen zijn verschillend, maar de informatie die eruit voortkomt moet gelijkwaardig worden behandeld.

Gelijkwaardigheid betekent niet dat ouders het onderwijs bepalen of dat het kind alle beslissingen neemt. Het betekent dat school hun kennis niet lager waardeert omdat zij niet uit de professionele onderwijscontext komt.

Een werkelijk samenwerkende school zegt niet:

Wij zien het niet, dus het is er niet.
Wij hebben al iets aangeboden, dus het moet voldoende zijn.
Het kind haalt goede cijfers, dus de ontwikkeling verloopt goed.
De ouders zijn bezorgd, dus hun beeld is gekleurd.

Zij zegt:

Wij zien een ander deel van het kind.
Het verschil tussen onze waarnemingen is belangrijke informatie.
Wij onderzoeken wat de omgeving oproept.
Wij beoordelen onze aanpak op het effect, niet op onze bedoeling.
Wij veranderen wat niet werkt.

Dat is professionele samenwerking.

De school hoeft niet beschuldigd te worden, maar moet wel verantwoordelijkheid nemen

Het doel is niet om scholen of leerkrachten te beschuldigen. De meeste onderwijsprofessionals hebben niet bewust gekozen voor een systeem dat hoogbegaafde ontwikkeling vertraagt of onvoldoende herkent.

Maar afwezigheid van opzet heft verantwoordelijkheid niet op.

Wanneer ouders en kinderen herhaaldelijk aangeven dat het onderwijs niet aansluit en de school blijft uitgaan van haar eigen beperkte waarneming, doet zij het niet goed. Wanneer goede cijfers zwaarder wegen dan uitputting thuis, doet zij het niet goed. Wanneer een wekelijkse plusklas wordt gepresenteerd als voldoende antwoord op een structurele mismatch, doet zij het niet goed. Wanneer het kind moet leren omgaan met de omgeving terwijl die omgeving zelf niet verandert, doet zij het niet goed.

Dat mag helder worden gezegd zonder iemand persoonlijk te vernederen.

De school doet het goed wanneer zij haar eigen invloed durft te onderzoeken, de kennis van ouders en kind als onmisbaar behandelt en bereid is haar organisatie werkelijk te veranderen.

Niet wanneer zij kan aantonen hoeveel zij heeft geprobeerd, maar wanneer het kind zich opnieuw kan ontwikkelen.

De kern

Hoogbegaafde leerlingen worden niet goed begrepen wanneer school uitsluitend vertrouwt op wat binnen de klas zichtbaar is.

Ouders zien de ontwikkelingsgeschiedenis, de veranderingen en de gevolgen na school. Het kind weet wat het al begrijpt, hoeveel het zich inhoudt en waar de omgeving zijn ontwikkeling onderbreekt. School ziet het functioneren binnen één specifieke context.

Geen van deze perspectieven is op zichzelf volledig.

Maar de school heeft te lang haar eigen waarneming als de meest betrouwbare behandeld. Daardoor worden signalen van ouders gerelativeerd, ervaringen van kinderen als onwil gelezen en aanpassingsgedrag aangezien voor welzijn.

Dat moet veranderen.

Luisteren naar ouders en hoogbegaafde leerlingen is geen vriendelijkheid en geen tegemoetkoming. Het is een professionele noodzaak. Hun informatie laat zien wat de school vanuit de klas niet kan waarnemen.

De beslissende vraag is daarom niet of school het probleem zelf ziet.

De vraag is of zij bereid is serieus te onderzoeken wat ouders en kind haar laten zien, ook wanneer dat betekent dat de bestaande onderwijsomgeving niet passend blijkt.

Samenwerking begint niet wanneer ouders vertrouwen hebben in school. Zij begint wanneer school laat zien dat het volledige kind belangrijker is dan het gelijk van de organisatie.